In een straal van 30 Km rondom Camping 't Rouweelse Veld liggen een viertal mooie grote natuurgebieden namelijk;
Natuurgebied Mariapeel,
Nationaal Park de Maasduinen,
Nationaal Park De Groote Peel en
Nationaal Park de Meinweg.
De Mariapeel en Deurnese Peel vormen samen een groot veengebied te midden van agrarisch gebied.
Het gebied moet vroeger minstens 30.000 ha groot zijn geweest en waar op grote schaal turf winning plaatsvond door het hoogveen af te steken.
Duidelijke sporen zijn hiervan overgebleven, voornamelijk te zien aan vele kanalen, sloten en peelbanen die de twee veengebieden doorkruisen.
Sinds 1980-1981 is de Mariapeel aangewezen als beschermd natuurgebied.
Ten westen van de Deurnese peel ligt de peelrandbreuk, deze breuklijn zorgt ervoor dat het grondwater in beide peelgebieden opgestuwd wordt. Door deze natte omstandigheden heeft het hoogveen zich eeuwenlang kunnen opstapelen tot een pakket van wel 6 tot 8 meter hoog.
De Mariapeel een Deurnese Peel zijn van zeer groot ecologisch belang. Door vervening, ontginning en afwatering is het hoogveen aan het verdwijnen. De veenbodem is op veel plaatsen verdroogd en veraard, waardoor het type vegetatie verandert naar berken, adelaarsvaren en pijpenstrootje.
Het hoogveengebied van de Maria en Deurnese Peel kenmerkt zich door heidevelden, stukken bos en vogelrijke vennen met meer dan honderd soorten broedvogels.
Internationaal is dit gebied erkend als ‘wetland’, met grote betekenis voor moeras- en watervogels. Klapeksters en blauwe kiekendieven overwinteren in De Peel. In het najaar is er een kans kraanvogels te zien.
Opvallend is de grote verscheidenheid aan insecten en vlinders. Ook amfibieën en reptielen voelen zich thuis, zoals de gladde slang, de heikikker en de levendbarende hagedis.
Meer informatie over Natuurgebied de MariaPeel
Het Nederlandse Nationaal park De Maasduinen, voorheen de Hamert, is evenals Nationaal Park De Meinweg gelegen in een terrassenlandschap.
De Maasduinen kent het Maasdal als een van de componenten waar het uit bestaat, evenals een plateau en lagere en hogere zandgronden.
Nationaal Park "De Maasduinen" is een bos- en heidegebied in Noord-Limburg, gelegen op een lang-gerekte hoge zandrug tussen de Maas en de Duitse grens.
Het bevindt zich grotendeels binnen het grondgebied van de gemeente Bergen.
Het landgoed "de Hamert" vormt het hart van dit nationale park, en dat was tot 1998 de naam van het nationaal park.
Het park strekt zich uit over ruim 20 kilometer met een breedte van gemiddeld twee a drie kilometer.
Het is in totaal ruim 4500 ha groot.
Natuur
De Maasduinen bestaan grotendeels uit betrekkelijk jong naaldbos, aangeplant op een ondergrond van dekzand dat op allerlei plaatsen in verstuiving is geweest.
Hoewel het karakter voor een belangrijk deel door zandverstuivingen is bepaald, treft men er thans nauwelijks nog actief stuifzand aan.
In de Maasduinen komen twee grote heidecomplexen voor: de looierheide op De Hamert en de Bergerheide bij Nieuw-Bergen, beide ruim 200 ha groot.
Daarnaast komen enkele kleinschaliger heideterreinen voor zoals Zwarte Kamp en Eckeltse bergen en een aantal vennen.
Fraai zijn vooral de onder oude stuifheuvels gelegen vennen van het Quin en de Duvelskuul bij Afferden. De Bergerheide is in de jaren '80 onderwerp geweest van een strijd over al dan niet verdergaande afgraving voor de winning van zand en grind.
De afgravingen hebben het watersportcentrum Leukermeer en de diepe, maar natuurrijke zandplas en recreatiegebied Reindersmeer opgeleverd.
Een groot deel van het heidegebied is gespaard gebleven.
Beheer Om tot een natuurlijke ontwikkeling van het park te komen, worden galloways, schapen en zelfs geiten ingezet.
Dit moet leiden tot een zich natuurlijk verjongend bos en een hei waar de successie wordt tegengegaan. De hei wordt ook verarmd doordat de schapen 's avonds in een schaapskooi overnachten.
Deze klassieke vorm van beheer leidde tot een verarmde hei met verrijkte akkers nabij de schaapskooi.
Ecologische verbindingen
De Maasduinen maakt onderdeel uit van een reeks natuurgebieden aan de oostelijke oever van de Maas. Via de Meinweg is er een verbinding richting Duitsland. Deze ecologische verbindingen hebben er toe geleid, dat de bever zich spontaan in de Maasduinen kon vestigen.
Meer informatie over Nationaal Park de Maasduinen
De Groote Peel is een grotendeels afgegraven, door Staatsbosbeheer bestierd hoogveengebied op de grens van de Nederlandse provincies Limburg en Noord-Brabant.
De Groote Peel is een restant van de Peel, een gebied dat ooit een zeer ondoordringbaar gebied moet zijn geweest.
Het is door Antoon Coolen in Peelwerkers beschreven als:
...een mengeling van grootse, trage, romantische, vegatieve wording, van eenzaamheid, verlatenheid, barheid, barsheid, grauwheid en kommervol hard werken.
In Ospeldijk ligt een museum; Mijl op Zeven, dat het leven in de Peel weergeeft.
De Groote Peel heeft een oppervlakte van ongeveer 15 km² en wordt voor wandelaars ontsloten door drie routes waaronder twee zogeheten knuppelpaden.
Maar die tonen slechts een klein deel van deze wijde, eindeloze leegte.
De Groote Peel wordt beschouwd als één van de vogelrijkste gebieden van West-Europa en in oktober/november wil het zelfs wel eens gebeuren dat op doorreis zijnde kraanvogels hier even neerstrijken om op adem te komen.
Geoorde futen zijn in Nederland eveneens een zeldzame verschijning, maar vanuit de vogelkijkhut aan de Meermansblaak laten ze zich hier, plassend en badderend in zilveren waaiers van water, regelmatig waarnemen.
Langs de ongeveer drie kilometer lange rode route staat een uitzichttoren van waaraf bezoekers een verpletterende indruk krijgen van deze tot aan de horizon doorrollende woestenij.
Wie zijn dwaaltocht niet wil laten dicteren door piketpaaltjes en liever zelf zijn weg zoekt, moet in dit moeras goed opletten.
Historie van de Peel
Het nationaal park De Groote Peel is één van de laatste, grotendeels ontgonnen hoogveengebieden die niet in cultuur zijn gebracht.
Dit hoogveenrestant ligt aan weerszijden van de grens Noord-Brabant met Limburg.
De Groote Peel biedt een landschap van afwisselend ontoegankelijk veenmoeras, plassen, open heideterreinen, vlakten met pijpenstrootje en zandruggen.
Het huidige moeraslandschap van de Groote Peel is ontstaan door het afgraven van veen voor turfwinning.
Door dit afgraven zijn op sommige plaatsen grote waterplassen ontstaan, zoals de plas Aan het Elfde. Rond het natuurgebied zijn halverwege de 20e eeuw bomensingels geplant.
Het vochtige karakter en de rust maken het gebied aantrekkelijk voor vogels.
Het is één van de vogelrijkste gebieden in West-Europa.
Het gebied kent een bijzondere plantengroei van vaak zeldzame soorten.
Het moerassig gebied is toegankelijk gemaakt door de aanleg van 'knuppelbruggen'.
Ontwikkeling landschap
Spanningen in de aardkorst hebben er in de loop van miljoenen jaren voor gezorgd dat er bewegingen plaatsvonden in de ondergrond onder de huidige Peel.
Een van de voornaamste breuken waarlangs beweging plaatsvond is de Peelrandbreuk.
Deze loopt ongeveer van Roermond over Meijel, Neerkant, Liessel, Deurne, De Rips en Mill naar Oss. Door bodembewegingen schuiven delen van de aardkorst langs de Peelrandbreuk en andere breuken omhoog (horsten), terwijl andere delen omlaag bewegen (slenken).
Daarbij treden dan aardbevingen op zoals de aardbeving bij Roermond van 1992 die nog vers in het geheugen ligt.
Op deze wijze zijn in Oost-Brabant en Limburg de Peelhorst (hoog) en de Centrale Slenk (laag) ontstaan.
Op de Peelhorst liggen ondoordringbare leemlagen vrij dicht aan de oppervlakte waardoor het regenwater moeilijk kon wegzakken
Het regenwater stroomde naar lager gelegen delen er er ontstonden beekjes en beekdalen.
Dit gebeurde voor de ijstijden.
Tijdens de ijstijden was het koud en droog en omdat er geen begroeiing was had de wind vrij spel. Zandstormen waren het gevolg, de beekjes en beekdalen waaiden dicht en er ontstonden plassen, die als gevolg van het droge klimaat aanvankelijk droogstonden.
Omstreeks 10.000 jaar geleden komt er een eind aan de laatste ijstijd.
Het klimaat werd warmer en vochtiger en de plassen kwamen vol water te staan: de eerste vennen verschenen. Maar het zou nog een kleine 6000 jaar duren voordat er een dik aaneengesloten pakket hoogveen gevormd was.
Het meeste veen ligt dan ook op de Peelhorst, het naar beneden bewegende gebied aan de oostzijde van de breuk. Een van de weinige veengebieden ten westen van de breuk is de Groote Peel.
Het ontstaan van hoogveen
Het water en de bodem van de plassen bevatten veel voedingsstoffen en door het warmere klimaat konden in het water waterplanten gaan groeien: riet, zegge en grote lisdodde.
De waterplanten stierven af en vormden de eerste veenlagen op de bodem van de plassen: het laagveen.
Als het laagveen het wateroppervlakte heeft bereikt en de plas dus is verland, verschijnt al gauw een broekbos in eerste instantie bestaande uit wilgen en elzen en later ook uit berken.
Ook dit broekbos was veenvormend. De veenlaag werd dikker en dikker en begon boven het water uit te stijgen: een eerste aanzet tot de ontwikkeling van hoogveen.
Planten en bomen kregen het steeds moeilijker om door al dat veen heen aan voedsel uit het water te komen, bovendien was de voedselvoorraad door de jaren heen al aardig opgebruikt.
Op dat moment kon veenmos gaan groeien. Een plantje dat alleen leeft van regenwater en zelf zoveel vocht kan vasthouden dat het in staat is boven de grondwaterspiegel uit te groeien .
Veenmos sterft aan de onderkant af maar groeit bovenaan steeds door.
De kletsnatte bovenkant sluit de afgestorven delen af van de lucht zodat er veen gevormd werd, laag op laag op laag.
Het veenmos heeft duizenden jaren nodig gehad om tot een dik pakket hoogveen te komen.
Het woekerde overal overheen, zelfs over de bomen waarvan de restanten nog steeds te zien zijn in De Groote Peel: de peelpuisten of het kienhout.
Tussen het veenmos konden zich echte hoogveenplanten ontwikkelen zoals de Zonnedauw, Witte snavelbies, Eenarig Wollegras, Lavendel- Dop- en Struikheide en Veenbes.
Toen men ontdekte dat het gedroogd hoogveen goed als brandstof bruikbaar was, heeft men eeuwenlang turf gestoken aan de rand van het moerassig gebied.
Met grootschalige ontginning is men eind 19e eeuw begonnen.
Cultuurhistorie
Het Nationaal Park 'De Groote Peel' ligt op de grens tussen Noord-Brabant en Limburg.
Omstreeks het midden van de 19e eeuw begon men met het afgraven van het hoogveen, om aldus turf te winnen.
Op een lucht- of satellietfoto is duidelijk te zien dat de afgravingswijze in beide gebieden verschillend was.
In Noord-Brabant werd de afgraving op grootschalige wijze uitgevoerd door een maatschappij.
In Limburg daarentegen werd de ontginning ter hand genomen door particuliere boeren, die elk een langgerekt stuk grond in bezit of in pacht hadden, en de turven met een kar afvoerden langs de zogenaamde 'peelbanen', uitgespaarde stukken land.
Hierdoor ontstond een grilliger en kleinschaliger patroon van stukken land en stukken moeras.
Toen de turfwinning onrendabel werd, wilde men de afgegraven gebieden geschikt maken voor agrarisch gebruik, maar omstreeks de jaren '60 van de 20e eeuw kwam er een einde aan deze activiteit en kreeg 'De Groote Peel' de bestemming natuurgebied.
Meer informatie over Nationaal Park de Groote Peel
Nationaal Park De Meinweg is een nationaal park in de Nederlandse provincie Limburg, gemeente Roerdalen, met een omvang van ongeveer 16 km².
Het is onderdeel van het Duits-Nederlandse Grenspark Maas-Swalm-Nette.
De Meinweg kenmerkt zich als een terrassenlandschap, ontstaan door de invloed van water en breukvlakken in de aarde, doorsneden door een aantal beken.
Geschiedenis
Tussen 1954 en 1962 werd in het gebied de Staatsmijn Beatrix aangelegd, na de voltooiing van twee schachten werden alle activiteiten gestaakt.
Het gebied is in 1990 door de minister aangewezen als natuurgebied.
Het gebied was gemeenschappelijk bezit en gebruik van de omliggende dorpen.
Een deel van het gebied was een eiken hakhoutbos.
Voor de mijnbouw is er een forse aanplant van bomen geweest voor stuthout.
Hierdoor en door verdroging werd de heide en het aanwezige hoogveen steeds meer verdrongen.
Flora
Er zijn diverse soorten biotoop aanwezig: eiken-berkenbossen, broekbossen, droge en natte heide en vennen en beekdalen. Vooral in de natte en soms heide komen bijzondere soorten voor zoals ronde zonnedauw, kleine zonnedauw, Beenbreek, Gagel en klokjesgentiaan.
Fauna
In dit gebied komen aan zoogdieren wilde zwijnen, vossen, bunzings, steenmarters en hermelijnen voor.
Er zijn 110 soorten vogels waargenomen, waaronder regelmatig kraanvogels en er hebben minimaal 60 soorten vogels in dit gebied gebroed.
Het is zeer bekend vanwege het grote aantal reptielen en amfibieënsoorten.
De reptielen in het gebied zijn: de adder, de gladde slang, de zandhagedis, de levendbarende hagedis en de hazelworm.
De min of meer zeldzame amfibieën zijn de poelkikker, de heikikker, de knoflookpad, de rugstreeppad, de alpenwatersalamander, de kamsalamander en de vinpootsalamander, waarvan de zeldzaamste, de knoflookpad behoorlijk achteruit is gegaan.
Ook het aantal waargenomen libellensoorten is uniek in Nederland.
Er zijn 50 dagvlindersoorten waargenomen en 340 soorten nachtvlinders.
Ontwikkelingen Langs de vennen komt hoogveen weer tot ontwikkeling.
De naaldbossen en de niet inheemse boomsoorten worden langzamerhand verwijderd ten gunste van inheemse soorten.
Bedreigingen
Over de grens in Duitsland wordt op grote schaal dagmijnbouw van bruinkool gepleegd.
Voor het project "Garzweiler II" is een ontwateringsvergunning afgegeven.
Deze zal echter meer effect hebben dan tot nu toe is toegegeven [bron?].
Hier doet zich als extra complicatie voor dat de effecten zich ook in Nederland, in Nationaal park de Meinweg zullen doen gelden.
Recreatie
Vanaf het Bezoekerscentrum De Meinweg van Staatsbosbeheer starten diverse wandel- en fietsroutes. Met gekleurde paaltjes worden de routes weergegeven.
In het Bezoekerscentrum is ook een kaart verkrijgbaar met daarop de routes.
Meer over Nationaal Park de Meinweg
bron: wikipedia & Brabants Dagblad

